In zijn schilderijen gaat het Hidenori Mitsue (1969) er voornamelijk om de mogelijkheden en grenzen te ontdekken van de gebruikte materialen. Mitsue onderzoekt het karakter van de verf op het doek. Hij stelt hierbij het omslagpunt waarbij de basismaterialen verf en canvas overgaan in het resultaat, beeldende kunst, centraal. Daarbij lijkt hij de verf slechts op minimale wijze te willen sturen. Zijn werken ogen als een spel van controle en expressie. Mitsue brengt de verf op energieke wijze aan op het doek, wat terugkomt in de uitstraling van het eindresultaat. Het schilderij bouwt zich op uit meerdere lagen verf, die Mitsue soms weer gedeeltelijk wegsnijdt. Hij legt letterlijk het werkproces bloot en laat de opstapeling van verflagen zien.
Mitsue maakt zijn onderwerpen ondergeschikt aan de techniek die hij gebruikt. Veelal isoleren de schilderijen één enkel onderwerp, zoals takken met bloesem, bloemen of een beer. Hierbij wordt het onderwerp afgezet tegen een abstracte achtergrond, waardoor perspectief en context geen rol speelt en zo een vervreemdend effect oplevert. De onderwerpen die Mitsue schildert, beleeft hij zelf als neutrale, alledaagse onderwerpen. Echter, voor de Westerse beschouwer leiden ze vaak naar associaties met zijn culturele achtergrond. Hoewel Mitsue zich het liefst op het materiaalgebruik richt, zal de beschouwer sommige onderwerpen, tinten en composities kunnen associeren met Japanse kunst. Mitsue volgde zijn opleiding gedeeltelijk in Japan en gedeeltelijk in Nederland. Dit levert een mooi samenvloeien van culturele invloeden op. De twee culturen liggen wat betreft de waardering voor kunst ver uiteen. In Japan waardeert men de tijd die men investeert in het creeeren van het kunstwerk, boven uniciteit. De Japanse kunstenaar streeft naar een perfecte beheersing van de (traditionele) technieken. In het Westen vormt uniciteit een belangrijk begrip in de kunst. Concept vormt veelal het uitgangspunt en gaat vaak boven techniek. Het werk van Mitsue toont ons het samengaan van twee culturen.